----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

DE GESCHIEDENIS DER SURINAAMSE INHEEMSEN

 DE EERSTE BEWONERS VAN SURINAME

Samensteller: Jorobodjie

Het werelddeel Amerika is veel later bevolk door mensen dan Afrika, Azië en Europa.

Algemeen wordt aangenomen dat de oudste bewoners van Amerika uit Azië afkomstig waren en zich ongeveer 30 000 jaar geleden via Alaska verspreid over Midden - en Zuid Amerika.

Onbekend is wanneer de eerste Indianen het gebied van het tegenwoordige Suriname bereikten.

Op basis van prehistorische vondsten wordt aangenomen dat de eerste Indianen ongeveer 10 000 jaar geleden het zuiden van Suriname hadden bereikt. De oudste sporen zijn in het Sipaliwini-savanne gevonden. Men vond onder andere stenen voorwerpen zoals speerpunten, vuistbijlen en messen. Vooral de wegenbouw in het binnenland heeft daartoe bijgedragen.

Het grote aantal vindplaatsen in het zuiden van Suriname, geeft de zekerheid dat het gehele Surinaamse binnenland veel intensiever bewoond moet zijn geweest, dan men tot op heden dacht. Helaas is door de dichte begroeiing weinig bewaard gebleven van de prehistorische bewoners en moet men volstaan met reconstructies van de gevonden voorwerpen. 

In tegenstelling tot het buurland Frans Guyana zijn van de ontwikkeling van het aantal Indianen geen goed historische cijfers beschikbaar. Men vermoedt dat er zich een overeenkomstige ontwikkeling heeft voorgedaan in Suriname.

Er leven voor zover bekend vijf grote Indiaanse stammen op Surinaams grondgebied: de Arowakken, de Caraïben, de Trio, de Wajana en de Akoerio. Vroeger had je ook de Warau, maar deze Indianen zijn opgegaan in andere stammen, voornamelijk in de Arowakse stam.

Naar hun leefgebieden worden de Surinaamse Indianen verdeeld in Benedenlanse en Bovenlandse Indianen. De Arowakken en de Caraïben behoren tot de Benedenlandse of kust Indianen. Tot de Bovenlandse stammen behoren de Trio, de Wajana en de Akoerio.

De Benedenlandse Indianen zijn vanouds gericht op de visvangst. Bij de bovenlandse Indianen is de jacht belangrijker.

  

BENEDENLANDSE INDIANEN

 

In oude verslagen zijn veel verschillende namen voor Indianenvolken in de kustvlakte te vinden, maar de meest zijn te herleiden tot Caraïben en Arowakken.

De Arowakken

Ongeveer 6000 jaar geleden gingen de Indianen in het Amazonegebied aan akkerbouw doen, waardoor er meer voedsel beschikbaar kwam. Door de overvloed aan voedsel groeide de bevolking zo sterk dat een deel van de mensen wegtrok op zoek naar nieuwe gebieden. Er trokken verschillende groepen naar gebieden van de Guyana's, zeg maar het gebied tussen de Amazone en de Orinocco.

Ongeveer 3000 jaar geleden bereikte een groep Indianen de kustvlakte van Suriname.

Deze Indianen behoorden tot het volk van de Arowakken en waren de eerste groep die zich permanent op Surinaams grondgebied vestigde.

De Arowakken waren gedreven Landbouwers die erin slaagden delen van de moerassige kust te veranderen in landbouwgronden. Een voorbeeld hiervan is de Hertenrits in het district Nickerie. De Hertenrits is een vier hectare grote en vijf meter hoge woonterp, waarvoor naar schatting 100 000 kubieke meter aarde gebruikt werd. De Arowakken groeven sloten en met de uitgegraven grond verhoogden zij hun akkers.

De Caraïben

Eeuwenlang waren de Arowakken heer en meester over grote delen van de kustvlakte, totdat de Caraïben omstreeks 1100 na Christus het kustgebied van Suriname van twee kanten binnen vielen. Zij verdreven de Arowakken met geweld van de landbouwgebieden die zij in cultuur hadden gebracht. Om te voorkomen dat zij steeds door de Caraïben van hun landbouwgronden werden verdreven, zijn de Arowakken noodgedwongen over gegaan op een veel eenvoudiger akkerbouwsysteem, dat overeenkwam met dat van de Carabïen: het kappen en branden van een stuk bos. Hierdoor zijn de landbouwtechnieken van de hoge woonterpen verloren gegaan.   

 

 

DE EUROPEANEN

 

Na de komst van de Engelse kolonisten laaide de strijd tussen de Arowakken en de Carabïen weer op. De Engelsen maakten tijden hun kolonisatie van Suriname behendig gebruik van de vijandschap tussen deze twee Indiaanse stammen.

Dit keer ging de strijd niet om landbouwgronden, maar om de ruilhandel in 'rode' slaven. De Caraïben traden op als tussenpersoon bij de handel in 'rode' slaven, (Indiaanse slaven) terwijl zij zelf van slavernij waren gevrijwaard. Arowakse krijgsgevangen werden door hen verkocht in ruil voor Europese goederen.

De Caraïben waren de Engelsen bovendien van dienst door weggelopen slaven, zowel Negers als Indianen, gevangen te nemen of te doden.

Hieruit kan worden afgeleid dat de meeste Indiaanse slaven tot het Arowakse volk behoorden. Ook het feit dat er in verhouding meer Arowakse dorpen in en rondom de Jodensavana voorkomen, levert het bewijs hiervoor, omdat de meeste Indiaanse slaven op plantages op de Jodensavana moesten werken. Tijden het Engelse bewind waren ruim Vierhonderd 'rode' slaven actief in die regio. 

Tegen de Nederlandse kolonisten, die een betere band met de Arowakken hadden dan de Engelsen, hebben de Carabïen lange tijd strijd gevoerd. De oorlog tussen de Nederlanders en de Caraïben resulteerde in de verwoesting van enkele plantages door de Caraïben en veertien Indiaanse dorpen door de Nederlanders.

In 1684 werd vrede gesloten waarbij onder andere bepaald werd dat de Indianen niet meer tot slaaf worden gemaakt.

De komst van de Europeanen heeft de Indiaanse populatie flink doen afslanken.

Niet zo zeer door oorlogen of slavernij, maar vooral door ziekten. De Indianen bezaten geen weerstand tegen ziekten als pokken, mazelen en infectie aan de luchtwegen.

 

BOVENLANDSE INDIANEN

 

De late ontdekking van de Bovenlandse Indianen is mogelijk te wijten aan het feit, dat de Marrons (de weggelopen negerslaven), lange tijd een barrière vormden tussen de kustvlakte en het binnenland. Zij bewoonden namelijk de middenloop van de grote rivieren. Anderzijds waren het de Marrons en hun nakomelingen die een brug vormden tussen het 'moderne' noorden en het primitieve zuiden, door ruilhandel te drijven met de binnenlandse Indianen. Deze Indianen ruilden hangmatten en jachthonden tegen bijlen, kapmessen, spiegels, kammen, kralen en rode katoen.  

 

Trio en Wajana

De Trio en de Wajana waren afkomstig uit Brazilië en bevolken het verre zuiden van Suriname. Sinds de achttiende eeuw begonnen zij met een trek in noordelijke richting. Deze stammen waren zeer mobiel, dat wil zeggen dat ze hun akers en dorpen veelvuldig verplaatsten. De Trio zijn meer landbouwers-jagers en de Wajana lanbouwers-vissers.

 

De Akoerio

In 1937 maakte een Nederlandse expeditie per toeval kort kennis met een groepje nomadische Indianen. Het bleek om een groepje te gaan dat tot het Akoerio volk behoorde. Deze Indianen werden in 1968 definitief 'ontdekt'.

Net als de Trio en de Wajana waren ook de Akoerio mogelijk afkomstig uit Brazilië. Van de Surinaamse Indianen missen alleen de Akoerio de landbouw, het zijn voornamelijk jagers, vissers en verzamelaars.

 

De Taal

Op de Arowakken na, spraken alle Indiaanse volken in Suriname een caraïbische taal. Toch konden de verschillende stammen elkaar niet verstaan. De Indiaan was koppig en vertikte het om de taal van een ander te spreken.

  

 

LEEFGEWOONTEN EN ZEDEN

 

Landbouw

De Surinaamse Indianen deden niet aan veeteelt, wel aan landbouw. Ze maakten een plek in het oerwoud, meestal dichtbij een rivier of kreek, vrij door kappen en verbranden van de bomen. Daar werd geplant en geoogst. Na een jaar of vier zochten ze een nieuwe plek en begonnen van voren af aan. Als de nieuwe akkers veraf lagen, werd er een nieuw dorp vlakbij gebouwd.

Voedsel

De Indianen verbouwden voornamelijk tabak, katoen, peper, pijlriet, maïs, maar in hoofdzaak cassave, het voornaamste voedselgewas.

Planten, wieden en oogsten was vooral vrouwenwerk, even als de bereiding van voedsel.

De mannen droegen aan de voedselvoorziening bij door het jagen en het vissen.

Het voedselasortument werd compleetgemaakt met het verzamelen van alles wat de natuur aan eetbaars bood zoals wilde bananen, bessen, honing, rupsen, slakken, kikkers, eieren van kaaimannen en schildpadden etc.

Behuizing

Omdat Indiaanse dorpen slechts enkele jaren bewoond werden, stelden zij geen hoge eisen aan hun behuizing. Het vergde slechts een paar dagen om een hut te bouwen. Een zestal palen voorzien van binten met een kap, bedekt met palmbladeren vormden het gehele huis. Hieraan kwamen geen schroef of pennen te pas. De grootte van de hut werd bepaald door het aantal hangmatten dat geplaatst moest worden. Elk gezinslid had er namelijk een. Overdag deden de hangmaten dienst als zitplaats en 's nacht als slaapplaats.

Het bouwen van de hut was een taak van de mannen, de vrouwen weefden de hangmatten.

Gebruiksvoorwerpen

De belangrijkste gebruiksvoorwerpen waren manden, korven, draagtassen, potten en pannen. Het vlechtwerk deden de mannen, als materiaal gebruikten ze twijgen, riet en taaie grassoorten. Pottenbakken behoorde tot het werk van de vrouwen.

Vervoermiddel

Het belangrijkste vervoermiddel van de Indiaan was de korjaal. Deze werd uit een boomstam gehouwen. Hiermee bevoeren zij de rivieren en kreken om te jagen en te vissen of om nieuwe kostgronden aan te leggen.

Dorpshoofd

Vroeger was het dorpshoofd niet meer dan een eenvoudig familiehoofd.

Deze titel werd bijvoorbeeld geworven als een familie de stichter was van het dorp.

Het kwam wel eens voor dat iemand zich bij dronkenschap zodanig misdroeg dat hij onder druk van de dorpsgemeenschap moest vertrekken. Vaak met mede name van de hele familie. De familie stichtte dan elders een nieuw dorp.

In tegenstelling tot het dorpshoofd stond de geestenbezweerder (de Piaiman), in hoog aanzien bij de Indianen. Piaiman betekent geneesheer of medicijnman. Vaak had de sjamaan ook de functie van dorpshoofd.

De doden

Bij de Caraïben was het gebruikelijk om bij het overlijden van een persoon deze in de eigen hut te begraven. Er werd midden in de hut een gat gegraven waarbij de overledene met het weinige dat hij bezat, zijn mes, boog en pijlen, werd begraven. De Arowakken begroeven hun doden nooit in hun huizen, maar deden dit op een plek bij het dorp.

Als zich in een dorp kort na elkaar meerdere sterfgevallen voordeden, was dat een rede voor de dorpsgemeenschap om die plek te verlaten. 

Pater C. van Coll, die in 1886 als missionaris betrokken was bij de bekering van de Surinaamse Indianen, typeerde de Indiaan als volgt:

Eeuwenoude bossen, snelle stromen; tot in het oneindige

kronkelende kreken, scheiden hem van alle omgang

met beschaafde lieden.

Een diepe stilte, slechts nu en dan afgewisseld door het gekras der

vogels en het gebrul der woudapen bevordert de vrije gang

van zijn gedachte.

Dan neemt zijn gedachte een vlucht en overschrijdt zij de afstanden

en koppelt onwillekeurig een toekomst die dringend nodig is,

aan de verbetering van zijn huidige situatie.

 

 

De oorspronkelijke bewoners van Suriname vormen vandaag de dag slechts drie procent van de totale Surinaamse bevolking

 

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

 

Pater C. van Coll

Zeden en gewoonten der Indianen

Gulpen, 1886

 

Hans Budding

Geschiedenis van Suriname

Utrecht, 1995

 

Eveline Bakker

Geschiedenis van Suriname (van stam tot staat)

Zutphen, 1993

 


Er zijn nog steeds veel mensen in en buiten Suriname die niets afweten van het Inheems verzet tegen de Europeese bezetters. Bij de herdenking van de slavernij in Suriname worden overwegend alleen de negerslaven herdacht. Men vergeet vaak de 'rode slaven' die hun leven hebben gegeven voor de vrijheid van velen. Deze korte lezing van SCV Wajonong, ter herdenking van de inheemse slaven, licht een tipje van de sluier voor hen die nog onwetend zijn.

In 1492 werden er ruim 800.000 Joden uit Spanje en Portugal verjaagd. De meeste van hen vonden hun weg naar Italië waar zij bescherming van de Paus genoten. Een ander deel week uit naar het nieuw ontdekte Brazilië, waar zij in samenwerking met de Hollanders welvarende plantages stichtten.
In die periode kregen de Guyana's voornamelijk te maken met Europese handelaren die ruilhandel dreven met de inheemsen. Zo ook had een groep Hollanders een handelspost nabij een inheemsdorp aan de Surinamerivier, Parmirbo genaamd. De groep stond onderleiding van Dirck Cleaszoon van Zanen en Nicolaas Baliestel. Waarschijnlijk werden de Joden in Brazilië door deze mensen aangemoedigd om ook op Surinaams grondgebied plantages te stichten. 
Omstreeks 1639 kwam de eerste groep Joden aan in Suriname. Op ongeveer 50 kilometer stroomopwaarts stichtte zij, aan de rechteroever van de Surinamerivier, een nederzetting die de naam Jodensavana kreeg.
In 1651 stuurde de Britse gouverneur van Barbados, Lord Willoughby, de Brit Anthony Rowse met 300 man naar Suriname, met de opdracht om een kolonie te stichten in Suriname. Dit luide het begin in van de slavernij onder de inheemsen.
Schuin tegenover de Jodensavana, aan de linkeroever van de Surinamerivier bouwden de Britten de eerste stad van Suriname, die zij Torarica noemden.  
Een Jaar later stuurde Willoughby ongeveer 100 ervaren Brits Joodse planters naar Suriname. Deze sloten zich aan bij hun geloofsgenoten op de Jodensavana.
Toen de Portugezen Brazilië in 1654 op de Hollanders heroverden, vond er een totale verhuizing van de Joden uit Brazilië plaats. Een grote groep Portugese Joden kwam aan bij de Jodensavana en de stad Torarica. Ze werden door de Britten verwelkomd, de Joden stonden namelijk bekend als hele goeie planters. Rondom de stad Torarica en op de Jodensavana werden vele plantages gesticht. Het zware werk op de plantages werd verricht door inheemse slaven. Deze zogenaamde "rode slaven" waren voornamelijk Arowakken en Caraïben, die de kuststreek van Suriname bevolkten.  
Op verzoek van de planters voerden de Britten Afrikaanse negerslaven in, omdat vele inheemse slaven liever stierven dan dat zij zich van hun vrijheid lieten beroven. Gedurende lange tijd hebben Rode en zwarte slaven zij aan zij op de plantages rondom Jodensavana en Torarica gewerkt.
Na de vrede van Breda (31 juli 1667) vertrokken zo'n 1200 Britten met hun negerslaven naar Jamaica. Om de suikermolens draaiende te kunnen houden, nam het aantal inheemse slaven weer toe onder de Hollanders. In 1671 telde de kolonie 52 plantages, 2500 negerslaven en 500 inheemse slaven.
Omstreeks 1675 zijn de inheemsen een guerrilla oorlog begonnen tegen de kolonisten en planters. Vele plantages werden overvallen, platgebrand en inwoners gedood.
De inheemsen namen ook de eerste Afrikaanse slaven mee en leerden hen overleven in het oerwoud. Deze slaven waren de wegbereiders van de latere Marrons.
De vrees voor de inheemsen was groot, dit blijkt uit een brief die de gouverneur op 19 december 1675 aan de Zeeuwse staten stuurde. Daarin maakte hij melding van vermoorde blanken. Aan de Perica en bij de Parakreek werden in totaal 30 blanken door de inheemsen vermoord, ook op Torarica vielen er slachtoffers. Ongeveer 30 gevangen genomen inheemsen werden door de kolonisten in het bos opgehangen. Door de aanhoudende aanvallen van vooral de Caraïben, moesten de kolonisten de stad Torarica in de steek laten. Velen gingen naar de nieuwe stad, Paramaribo, waar zij zich veilig voelden achter het fort. De inheemsen waren ook van plan om Paramaribo aan te vallen, maar de kolonisten wisten een halfbloedje genaamd Anthony Barbier gevangen te nemen. Hij verklapte toen de aanval op Paramaribo.
Deze zou plaatsvinden in de nacht van 13 op 14 december 1678.
Barbier werd na zijn bekentenis opgehangen.

Op 21 augustus 1679 ontvingen de Zeeuwse Staten weer een brief van de gouverneur, waarin hij om troepenversterking vroeg. Hij schreef dat de kolonisten voortdurend werden aangevallen door inheemsen en Marrons.   
In april 1680 arriveerde een klein troepenmacht in Suriname om de orde in de kolonie te herstellen.
Uiteindelijk lukte het de kolonisten om in dat zelfde jaar vrede te sluiten met een deel van de inheemsen, maar konden geen einde maken aan de aanvallen.
Ook een poging om de inheemsen in het kustgebied te ontzien, door nieuwe inheemse slaven uit dorpen te halen die veel dieper in het woud lagen, had niet het beoogde effect gehad. 
Om de inheemsen aan de Saramaca, de Coppename en de Surinamerivier tot onderhandelingen te dwingen, werd de tactiek van de verschroeide aarde toegepast: dorpen werden platgebrand en kostgronden verwoest.
Wie gevangen werd genomen werd zonder pardon opgehangen in het bos.
Het duurde tot 1686 alvorens gouverneur Van Sommelsdijck met de laatste groep inheemsen vrede kon sluiten.
Volgens de overeenkomst mochten de inheemsen niet langer in Slavernij worden gehouden.
De vrede gold niet voor de weggelopen negerslaven, van wie velen zich bij de inheemsen hadden aangesloten. Zij zouden de gemoederen in de kolonie veel langer bezighouden.